Home
Grondligging en Omkeringen
Trappen
Cadensen
Tussendominanten
Harmonische versieringstonen
De Koraalzetting
Directe verwijzingen naar onderdelen van dit hoofdstuk
Kleurliggingen
Akkoordrelaties (terts, kwint en secunderelatie)
Iets over octaaf en kwintparallellen
Verruiming verbindingsregels bij vrije sopraan
Het zelfstandige sextakkoord
Het voorhoudingskwartsextakkoord en wissel kwartsextakkoord met liggend blijvende bas
Tussen-subdominanten
Wissel en doorgangsakkoorden met bewegende bas
Pseudo-wissel- en doorgangsakkoorden
Liggingen van septiemakkoorden en hun oplossingen
Voorbeeld koraal van Bach
Verbindingsregels bij verminderde drieklanken en septiemakkoorden
Versieringen maken in een koraalzetting
Eind-opdracht: uitwerken gegeven melodie tot koraalzetting
Uitgebreid voorbeeld hoe een melodie uitgewerkt kan worden in 4 fases
Opdracht 1a  Opdracht 1b  Opdracht 1c  Opdracht 1d  Opdracht 1e  Opdracht 1f  Opdracht 1g  Opdracht 1h

De Koraalzetting

Bij de vierstemmige koraalzetting, welk een model is van de harmonieleer, is het uitgangspunt een zogenaamde onafhankelijke stemvoering. De volgende situaties zijn per twee stemmen mogelijk:

Al deze bewegingen zijn theoretisch mogelijk, maar het is niet toegestaan dat twee stemmen parallel bewegen in priemen, octaven, of kwinten. In dat geval werken beide stemmen als te weinig onafhankelijk.

Voor de liefhebbers: de baslijn geeft richting aan de akkoorden, de andere stemmen verbinden de akkoorden. Het is makkelijker om een goede vierstemmige zetting te maken dan een goede driestemmige zetting, omdat de drie bovenstemmen in een vierstemmige zetting meer vrijheid hebben om een goede stemvoering te maken. Dat komt omdat het uitgangspunt in eerste instantie drieklanken zijn. Bij een vierstemmige zetting verdubbel je dan een van de tonen van de drieklank, waardoor in de drie bovenstemmen meestal een volledige drieklank zich kan verbinden met een volledige drieklank van het volgende akkoord.

Kleurliggingen

Bij een vierstemmige zetting zijn er diverse manieren mogelijk hoe de vier partijen onderling neergezet worden. De ligging wordt bepaald door de bas. De overige stemmen zeggen iets over de zogenaamde kleurligging. Het meest valt op: welke toon zit er in de sopraan (bijv. grondtoon, terts of kwint). Minder valt op de onderlinge afstand van de drie bovenstemmen. We spreken van
  1. Nauwe ligging: tussen de drie bovenstemmen kan geen akkoordtoon
  2. Wijde ligging: tussen de drie bovenstemmen past minstens nog telkens een akkoordtoon
  3. Gemengde ligging: tussen twee van de bovenstemmen past wel nog een of meer akkoordtonen, tussen de andere past niets
De afstand van de bas tot de tenor doet niet mee m.b.t. deze definities van kleurligging. De afstand tussen de drie bovenstemmen onderling is meestal maximaal een octaaf, de bas mag grotere afstand hebben tot de tenor. Stemmen kunnen ook samenvallen, we proberen stemkruising echter te voorkomen.

Relaties en economische stemvoering

We spreken van de meest economische stemvoering als de verschillende bovenstemmen een zo klein mogelijke beweging maken. In de praktijk gaat het dan om: blijven liggen, een secundebeweging maken, of soms een tertssprong maken. Trappen kunnen onderling de volgende relaties hebben:
  1. Tertsrelatie: de grondtonen liggen op tertsafstand. Twee tonen zijn gemeenschappelijk. Bij de meest economische stemvoering blijven deze liggen
  2. Kwintrelatie: de grondtonen liggen op kwart- of kwintafstand. Een toon is gemeenschappelijk. Bij de meest economische stemvoering blijft deze liggen
  3. Secunderelatie: De grondtonen liggen op secunde-afstand. Geen toon is gemeenschappelijk. Om kwint-en octaafparallellen te voorkomen is de meest economische stemvoering: de drie bovenstemmen maken tegenbeweging met de bas

Kwint- en octaafparallelen

Twee stemmen die onderling een octaaf vormen, vervolgens bewegen, en allebei nog steeds een octaaf vormen, maken zogenaamde octaafparallelen. Het lijkt of je maar een stem hoort. Bij een zetting met onafhankelijke stemvoering is dat niet geoorloofd. Het zelfde geldt voor priemparallellen en kwintparallellen. Het muzieknotatieprogramma Sibelius kan dergelijke stemvoeringen via een plugin detecteren. Selecteer de passage, ga naar review, kies plugins, check for Parallel 5ths/8ves. Bij onderstaande passage vindt Sibelius maar liefst 11 foutieve stemvoeringen

Hieronder eerst een voorbeeld met een mix van terts-, kwint- en secunderelaties. Alles staat in grondligging. De akkkoorden zijn verbonden volgens de meest economische stemvoering.
Meest economische stemvoering bij trappen in grondligging
tertsrelatie (3): 2 gemeenschappelijke tonen blijven liggen
Kwintrelatie (5): 1 gemeenschappelijke toon blijft liggen
Secunderelatie (2): de drie bovenstemmen maken tegenbeweging met de bas

Werk vanuit dit voorbeeld opdracht 1a uit: de bas is gegeven en alles staat in grondligging. Kies eerst een begin-akkoord met een bepaalde kleurligging. Voor de duidelijkheid is een wijde ligging het beste. Pas daarna de meest economische stemvoering toe. Als het goed is volgt dan uit de eerste keuze automatisch de stemvoering van alle partijen van de daarop volgende akkoorden.

Opdracht 1a

Verruiming van de stemvoeringsregels

Verruiming van de stemvoeringsregels bij drieklanken in grondligging. Dit om de partijen, met name de sopraan, meer richting te kunnen geven. Deze regels blijven ook gelden als er omkeringen, septiemakkoorden e.d. gebruikt gaan worden.
  • Grotere sprongen zijn geoorloofd
  • Kwint mag je weglaten
  • Behalve de grondtoon mag je ook de kwint of de mineur terts verdubbelen
  • Liever niet de grote terts verdubbelen (deze is vaak leidtonen en leidtonen verdubbel je nooit)
  • Probeer onderlinge afstand sopraan alt en ook alt tenor niet meer dan octaaf te laten zijn
  • De afstand bas-tenor mag ook groter zijn
  • Vermijd stemkruisingen, stemmen mogen hooguit samenvallen. Eventueel wel tussen als en tenor
  • Leidtonen (grote terts, septiem) in sopraan en bas altijd oplossen, in middenstemmen liever ook, maar daar hoeft het niet altijd
  • Vermijd in alle stemmen verminderde kwintsprongen of overmatige kwartsprongen
  • Maak geen septiemsprongen, maar i.p. daarvan eerst een octaaf, dan een secundesprong met snellere notenwaarden (zie in onderstaand voorbeeld de baspartij)
  • Zorg er voor dat minimaal een stem of blijft liggen of een secundebeweging maakt (dus laat niet alle stemmen tegelijk springen)

Onderzoek bij onderstaande passage bij elk akkoord: welke noten van het akkoord zijn verdubbeld, welke eventueel weggelaten, wat zijn de onderlinge afstanden van de stemmen. De sopraan is zelfgekozen

Hierna nog een voorbeeld met een zetting van trappen in grondligging, waarbij de bas gegeven is maar de sopraan bewust is gekozen binnen de akkoorden. Een en ander heeft dus zoals gezegd wel grotere sprongen tot gevolg.

Maak nu opdracht 1b op dezelfde manier. De bas is de grondtoon van een drieklank. Kies nu eerst zelf een sopraan binnen de akkoorden en werk het geheel daarna vierstemmig uit.
Opdracht 1b

Het gebruik van omkeringen bij de koraalzetting

Het zelfstandige sextakkoord

Omkeringen zijn minder stabiel dan grondliggingen. Maar sommige sextakkoorden zijn toch nog dusdanig stabiel dat ze niet hoeven op te lossen. We spreken dan van zogenaamde zelfstandige sextakkoorden. Als de bas gegeven is kunnen we nu kiezen voor grondliggingen of zelfstandige sext-akkoorden. Bijv. Zien we in de bas C-E-F-C, dan zouden we bijv. bij de bastonen E en F alternatieven kunnen kiezen. Voor E kunnen we kiezen Em (III) maar ook C (I6), voor F kunnen we kiezen F (IV) maar ook Dm (II6). In het geval van I6 of II6 kiezen we dan voor een zogenaamd zelfstandig sextakkoord. Meestal wordt bij deze sextakkoorden de grondtoon verdubbeld, maar het kan ook de kwint of mineurterts zijn, liever niet de grote terts.

Werk onderstaande bas uit, gebruik zowel grondliggingen als zelfstandige sextakkoorden. Probeer het verschil uit, de ene keer klinkt een grondligging beter, de andere keer een sextakkoord. De twee slotakkoorden staan altijd in grondligging!
Opdracht 1 C

Voorhoudingskwartsextakkoorden en wisselkwartsextakkoorden met liggend blijvende bas

Kwartsextakkoorden zijn bijna altijd zo instabiel dat ze moeten oplossen. Dat kan op meer manieren. Een van de dingen die we vaak zien is dat de bas blijft liggen, en vervolgens gaat het kwartsextakkoord over in een drieklank in grondligging met dezelfde bas. Gebeurt dat van zwaar naar licht dan spreken we van een voorhoudingskwartsextakoord (ook wel vertragingskwartsextakkoord genoemd). Gebeurt dat op een lichte tel dan is er meestal sprake van een zogenaamd wisselkwartsextakkoord met liggend blijvende bas. Zie volgend voorbeeld: In maat 1 en maat 3 zien we hoe op de tweede tel een wisselkwartsextakkoord ontstaat, in maat 2 rn 4 is er sprake op de zwaardere tellen van voorhoudingskwartsextakkoorden.

Voorhoudingskwartsextakkoorden

In beide voorbeelden zien we hoe er een alteratie ontstaat. Laddereigen zou het voorhoudingsakkoord in maat 2 van het eerste voorbeeld Bdim geweest zijn. Maar er staat een Bb akkoord. Wat we zien is dat de voorhoudings- en de wisselakkoorden met liggend blijvende bas zich aanpassen aan het hoofdakkoord, ze "doen net" alsof ze in de toonsoort staan van het hoofdakkoord. Dat levert soms zogenaamde 'tussensubdominanten' op. Immers, het voorhoudingsakkoord heeft een grondtoon die een kwart hoger ligt dan de grondtoon van het hoofdakkoord. Als we zouden denken aan het hoofdakkoord als toonsoort, dan zou het voorhoudingsakkoord een vierde trap zijn. Maar we zitten in een andere toonsoort, dus we moeten spreken van een 'tussen vier', dit nu steeds in de kwartsextligging ([IV64]. Deze situatie doet zich vooral voor rond II of IV. Zie ook de volgende voorbeelden:

Wisselkwartsextakkoorden

Werk onderstaande bas uit. Er is geprobeerd bewust in de bas zowel wissel- als voorhoudingskwartsextakkoorden te suggereren. Gebruik zo nodig ook tussensubdominanten:
Opdracht 1d

Wissel- en doorgangsakkoorden met bewegende bas

Dit akkoord komt veel voor en heeft de volgende kenmerken:
  1. Op een relatief licht moment staat een omkering
  2. Deze is (meestal) dominant van het volgende akkoord op een zwaardere tel
  3. De bas van dat dominant akkoord lost op via een secunde
  4. Kijken we ook naar de bas van het voorafgaande akkoord, dan is er bij de drie akkoorden samen sprake van een wissel- of doorgangsbeweging
  5. Naar het wisselakkoord toe kan het doorgangsakkoord of wisselakkoord eventueel ook springen. We spreken in dat geval van een inspringend wissel of doorgangsakkoord
  6. Als het wisselakkoord of doorgangsakkoord (de dominant) diatonisch gezien geen grote terts heeft, dan wordt het meestal aangepast. Er ontstaat in dat geval een tussendominant. Dit komt zeer veel voor (in onderstaand voorbeeld in de derde maat)

Pseudo wissel- of doorgangs akkoorden met bewegende bas

Soms staan dergelijke akkoorden ook op zware momenten. We mogen ze dan geen wissel of doorgangsakkoorden noemen. We noemen het een pseudo wissel-of doorgangsakkoord. Hoeronder twee keer een pseudo (zwaar), een keer een echt wisselakkoord (licht)

Bij al deze akkoorden zit ook vaak een septiem. Daardoor zijn de volgende liggingen mogelijk:
  • Sext of kwintsextligging (6 of 65) (bas lost stijgend op naar grondligging)
  • Kwartsext of tertskwartligging (64 of 43) (bas daalt naar een grondligging of stijgt naar een sextligging)
  • Secundeligging (2) (bas daalt naar een sextligging)

Koraal van Bach

Opdracht 1e
Werk de volgende oefening uit, gebruik makend op de juiste plaatsen van wissel-of doorgangsakkoorden met bewegende bas. Gebruik zo nodig op de juiste plaatsen ook tussendominanten

Hoe pak je dit aan:
  1. De tweede of vierde tel van de maat is licht. Hier kan, als de bas naar de zware tel toe een secundebeweging maakt, een wissel- of doorgangsakkoord staan. Check dit. Waar is dat mogelijk?
  2. Het akkoord daarna, op de 1 of 3, is zwaarder en dat beschouwen we als een zelfstandig akkoord. Dit kan een drieklank in grondligging of een zelfstandig sextakkoord zijn. Zet op die plaatsen de twee mogelijke akkoordsymbolen
  3. Het wissel- of doorgangsakkoord is dominant van het volgende. Probeer uit wat het wordt als de oplossing een drieklank in grondligging is, en wat het wordt als de oplossing een zelfstandig sextakkoord is. Omdat het in beide gevallen om verschillende akkoorden gaat is ook het wissel- of doorgangsakkoord in beide situaties dus verschillend
  4. Kies de combinatie die je het beste bevalt
  5. Kies ook bij de andere plekken een akkoord naar keuze
  6. Werk het geheel vierstemmig uit

Dominant septiemakkoord, verminderde drieklank, laddereigen septiemakkoorden

Dominant septiem komt als tussendominant of als V7 heel veel voor. In dit akkoord zitten twee leidtonen: de terts die omhoog wil, de septiem die wil dalen. In ieder geval moeten leidtonen in sopraan of bas altijd oplossen. De verminderde drieklank is als VII of [VII] feitelijk een V7 met weggelaten grondtoon. De grondtoon van een verminderde drieklank werkt daardoor als een stijgende leidtoon, de kwint als een dalende leidtoon. De terts van dit akkoord is neutraal en zal in een vierstemmige koraalzetting daardoor altijd de toon zijn die je verdubbelt. Bij laddereigen septiemakkoorden is het zo dat de septiem in de regel dalend oplost. Zie onderstaand voorbeeld.

Opdracht 1f

Bij deze opdracht is ook weer de bas gegeven, maar nu moet jezelf voortdurend keuzes maken wat de beste akkoorden zijn. Waar gebruik je vertragingen, waar wissel of doorgangsakkoorden, waar zelfstandige akkoorden. Ook mag je tussendominantem, tussensubdominanten of laddereigen septiemakkoorden gebruiken. Maak er een goed klinkend geheel van. Alles vierstemmig uitwerken.

Baslijn met richting en tussendominanten

Opdracht 1g

In de voorgaande oefeningen was de bas gegeven en moest je de akkoorden erbij zoeken en uitwerken. Bij deze oefening moet je zelf een baslijn maken. Deze baslijn is onderdeel van een voor-nazin van 4+4 (of als je wilt 8+8) maten. De voorzin is gericht op de vijfde trap. De nazin is ook gericht op de vijfde trap, maar nu komt V eerder en sluit de nazin vervolgens af met V-I. Per maat 2 tot 4 akkoorden, het harmonische ritme hoeft niet steeds hetzelfde te zijn. Zo kun je nog meer een spannende opbouw maken. Probeer de bas richting te geven, gebruik ook meerdere tussendominanten, je mag ook laddereigen septiemakkoorden gebruiken. Het gaat bij deze oefening om de bas, het schema, en de zetting. De melodie van de sopraan is in dit geval niet zo belangrijk. Zorg dat het schema goed klinkt en werk het uit in een koraalzetting.

Versieringen maken binnen een koraalzetting

Een strikte koraalzetting bestaat uit een aantal partijen, meestal 4, met exact hetzelfde ritme. Maar in de praktijk zien we toch vaak dat er diverse ritmische versieringen gemaakt worden, dit om zowel de harmonie spannender te maken, maar ook om de verschillende melodieën soepeler te laten verlopen. Hierna komt een voorbeeld van een klein stukje van een koraal, dat vervolgens wordt versierd met wisselnoten, doorgangsnoten, vertragingen en anticipaties. Let er wel op dat alle stemmen ongeveer evenveel noten in totaal hebben. Immers: de basis van een koraal is de tekst, die in alle stemmen gezongen wordt.

Bovenstaand voorbeeld is een stuk koraal van 2 maten, de eerste keer onversierd, de tweede keer met 2 anticipaties, een voorhouding, 3 wisselnoten en 2 doorgangsnoten (afkoringen a, v, w en d)

Opdracht 1h

Versier onderstaande koraalzetting op een vergelijkbare manier. Controleer niet alleen de totaalklank, maar luister ook goed naar de afzonderlijke partijen, zijn ze goed te zingen? Probeer ook de versieringen te spreiden over de drie onderstemmen. De sopraan blijft als basismelodie steeds ongewijzigd.

Opgaven

  1. Werk de oefeningen 1a tm 1h van de vorige pagina's uit tot een koraalzetting volgens de aanwijzingen
  2. Noteer bij de partituur van het Bachkoraal akkoordsymbolen
  3. Zing al de stemmen van dit Bachkoraal
  4. Zing de schema's van het onderdeel cadensen en het onderdeel tussendominanten
  5. Doe de oefeningen en/of de computertoets cadensen
  6. Zing vier verschillende soorten versieringstonen rond de gegeven melodie op het einde van het onderdeel versieringstonen
  7. Eind-opdracht: Omzetten tot een vierstemmige koraalzetting van een gegeven melodie.
    Voer onderstaande koraalmelodie in in een notatieprogramma. Deze melodie moet steeds de toplijn (sopraan) blijven, hooguit kan hij incidenteel samenvallen met de alt. Werk het geheel uit tot een goed klinkend vierstemmig koraal in de geest van het voorbeeld van Bach. Noteer het over twee balken, met stokken om en om omhoog en omlaag gericht. Gebruik je oren. De regels kunnen richtinggevend zijn. Zing ook alle stemmen! Nog enkele aanwijzingen:
    1. Het harmonisch ritme volgt globaal het ritme van de melodie. Maar bij snellere noten in de melodie vaak ook niet. Dus voortdurend zijn er akkoordwisselingen!
    2. Zoek eerst goede akkoorden, daarna een goede baslijn die in de akkoorden past. De grondligging zal favoriet zijn, daarna de sextligging. Gebruik alleen kwartsext als het akkoord functioneel oplost
    3. Probeer de melodieën goed zingbaar te houden, gebruik vooral veel secunde-intervallen

Hierna is met een andere melodie in 4 fases voorgedaan hoe je te werk kunt gaan.

4 fases van uitwerking van een voorbeeldmelodie in een koraalzetting zoals bij de eind-opdracht:

  1. De gegeven melodie wordt voorzien van akkoordsymbolen
  2. Tegen de melodie wordt binnen de ontworpen akkoorden een bas gemaakt. (Let op octaaf- en kwintparallellen en verdubbel geen leidtonen!)
  3. Werk dit nu uit tot een vierstemmige zetting
  4. Voeg smaakvol versieringstonen toe